De favoriete plekken van Johan Petit

in de krant
oktober 2019

De favoriete plekken van Johan Petit

De favoriete plekken van acteur Johan Petit: “Dit is de schoonste plek van ’t Stad”

Johan Petit woont al zijn hele leven in Borgerhout. Hij zag de wijk voor zijn ogen veranderen en verkleuren. Aanvankelijk was hij bang voor de Marokkaanse jongens in zijn buurt. Maar toen hij op latere leeftijd met een van hen bevriend raakte, veranderde dat zijn blik op de stad. “Het vreemde voelde niet langer vreemd. De stad is de optelsom van alle mensen die er wonen.”

Johan Petit (45) en Antwerpen: dat is een onlosmakelijk duo. Hij werd geboren in het Erasmusziekenhuis en groeide op in de Zegepraalstraat. Zijn jeugd speelde zich af in Borgerhout, waar ook veel van zijn nonkels en tantes woonden. “In mijn herinnering was er altijd wel ergens een feestje. Altijd familie en vrienden op bezoek. Veel pintjes, veel gelach, veel lawaai, een kat en een vogel. Het was fijn bij ons thuis.”

Zijn ouders waren actieve leden van de Borgerhoutse volleybalclub in de Bakkerstraat en Vlaamsgezind. “Ik ben nog lid geweest van het Vlaams Nationaal Jeugdverbond (VNJ, red.). Op zondagmorgen zongen we in uniform Vlaams-nationalistische liederen op het Terloplein, onder begeleiding van Wim Verreycken die later senator werd bij het Vlaams Blok. ‘Kom zit neder in de ronde…’ zongen we uit volle borst. Als zesjarige was ik bezeten van de Vlaamse zaak. Vlaanderen boven alles, daar geloofde ik rotsvast in.”

1. CAFÉ DE KAT

Liefde voor Antwerps dialect

Acteur Johan Petit praat veel en snel. We hebben afgesproken in café De Kat in de Wolstraat. Ooit moest de jonge Petit een spreekbeurt geven op school. Op zolder vond hij een oude spreekbeurt van zijn vader met als titel ‘Antwerpen, stad aan de stroom’. Hij besloot de spreekbeurt over te schrijven. Toen zijn vader zag wat hij aan het doen was, nam die hem mee op tocht langs alle Antwerpse bezienswaardigheden: Het Steen, Plantin-Moretus, het Museum voor Schone Kunsten en het Rubenshuis. “Mijn vader was zot van Antwerpen. We hadden heel veel boeken over de Antwerpse geschiedenis.”

Samen met twee vrienden ging vader Petit elke maandagavond langs een of meer Antwerpse kroegen. Het was een soort altijddurende kroegentocht. De bedoeling was om een inventaris te maken van alle Antwerpse cafés. Een van die vrienden, Jan Dillen, hield zelfs aantekeningen bij. “Ik kwam in die tijd nauwelijks in het centrum van Antwerpen”, zegt Johan. “Mijn leven speelde zich vooral af in Borgerhout. De tocht met mijn vader herinner ik me nog goed. Mijn liefde voor Antwerpen moet toen zijn ontstaan, gevoed door het enthousiasme van mijn vader.”

De liefde voor Antwerpen houdt ook een fascinatie voor het dialect in, vertelt Johan aan een tafeltje bij het raam in De Kat. Waarom hij zich er zo mee verwant voelt, is moeilijk uit te leggen. Het heeft te maken met herinneringen uit zijn jeugd. In de tijd dat hij geregeld met zijn zusje, neven en nichten bij hun bomma ging logeren die wat verderop in de ’s-Herenstraat woonde. “We liggen boven in bed en beneden hoor ik nonkel Walter de deur van de living openzwaaien en naar boven roepen: ‘Jowaan! Jowaan!’ Ik roep terug: ‘Ja!’ Hij roept nog eens: ‘Jowaan!’ Ik roep nog harder: ‘Jaaaa!’ En hij antwoordt: ‘Ak u mor hoor!’ ”

“Het stelt niets voor en betekent weinig, maar ik hoor het mijn nonkel nog roepen. Een ander voorbeeld. Ergens binnenkomen en zeggen: ‘Een pintje is goe zenne’, zonder dat iemand iets heeft gevraagd. Het zijn niet alleen de klanken en de toon, maar ook de manier waarop mensen met elkaar omgaan die een taal beïnvloeden. Ik heb een ongelooflijk sterke band met het Antwerps dialect. In het middelbaar moesten we Algemeen Nederlands spreken. Dat lukte mij niet, het voelde heel geforceerd aan. Het Antwerps dialect past veel beter bij mij, als een oude frak die je aantrekt. Je voelt direct: dit is wie ik ben.”

2. TURNHOUTSEBAAN

Theater over diverse stad

Maar de stad die Johans vader zo nauwkeurig probeerde te boek te stellen tijdens zijn kroegentocht, veranderde ingrijpend in Johans jonge jaren. “Mijn jeugd valt samen met het begin van de eerste grote migratiegolf in Antwerpen. De stad veranderde van een aantal aanpalende dorpswijken waar mensen intensief samenleefden en elkaar allemaal bij naam kenden in een grote anonieme stad.”

“De eerste migranten in Antwerpen waren vaak berbers, afkomstig uit het noorden van Marokko. Ze werden er onderdrukt en veel van hen waren analfabeet. Voor mensen die niet kunnen lezen of schrijven, is het enorm moeilijk om een nieuwe taal te leren.”

Welke indruk maakten de nieuwe Antwerpenaars op de jonge Johan? “Ik zat vaak op straat aan brommers en fietsen te prutsen en praatte met Marokkaanse kinderen. Toch raakte ik met niemand ooit echt bevriend. Het waren zeer gescheiden werelden. Als er in die periode te veel Marokkanen op een school kwamen, haalden de witte ouders hun kinderen er weg. De afstand was enorm en het racisme onvoorstelbaar groot. In de jaren zeventig hingen er bordjes voor sommige cafés waarop stond: 'Verboden voor Noord-Afrikanen'.”

“Op een dag gooiden twee Marokkaanse jongens zonder aanleiding een ei in mijn gezicht toen ik een brief ging posten. Daarna was ik vaak bang en stak de straat over als ik een groepje Marokkaanse jongens zag aankomen. Daar heb ik nog een theaterstuk over gemaakt.”

Johan doelt op het toneelstuk Bang uit 2010 dat hij voor MartHa!tentatief maakte. Bang was de vierde voorstelling in de reeks De Revue van het Ontembare Leven waar ook de voorstelling De Groenstraat deel van uitmaakt. “De Groenstraat gaat over Sint-Norbertus, mijn lagere school. In 2005 was er een reünie naar aanleiding van het 125-jarig bestaan van de school. Ik vergeet nooit het gevoel dat ik kreeg bij het zien van de klasfoto’s waar bijna allemaal kinderen van Marokkaanse oorsprong op stonden. Alsof er een draad was doorgeknipt. De leerkrachten hadden bijna allemaal heimwee naar die goeie ouwe tijd, toen de school nog vol met witte kinderen zat die allemaal braaf in de rij liepen. Ik besloot een toneelstuk over Sint-Norbertus te maken en ben er drie maanden gaan rondlopen.”

“Achteraf gezien is dat een kantelpunt geweest. De kinderen waren luidruchtig, maar eerlijk en enthousiast. Veel van hen leefden in armoede en hadden het moeilijk. In die periode werd ik ook gevraagd om elke maand Nuff Said te presenteren, een comedy- en muziekavond waar veel Marokkanen kwamen. Daar leerde ik op een avond Sellam kennen.”

3. BOCHT IN SCHELDE

Schoonste plek

Sellam bleek even oud te zijn als Johan en was net als hij in het Erasmusziekenhuis geboren en woonde ook al heel zijn leven in Borgerhout. Hij ging naar dezelfde frituur en speelde op dezelfde pleintjes. “Ik ontdekte dat we dezelfde Borgerhoutse geschiedenis deelden. En dat we meer gemeen hadden dan dat we van elkaar verschilden. Het vreemde werd daardoor minder vreemd. Meer nog, Sellam is evengoed een onderdeel van de Antwerpse geschiedenis als ik. De stad is de optelsom van iedereen die er woont. En omdat er zoveel berbers in Antwerpen wonen, is de geschiedenis van de berbers ook een stukje van de Antwerpse geschiedenis geworden.”

We zijn inmiddels naar de bocht van de Schelde gefietst. Volgens Johan zonder twijfel de schoonste plek van de stad. Hij klimt op de laatste echte meerpaal die er nog steeds staat. “Hier vertrokken tussen 1870 en 1930 de schepen die migranten uit Antwerpen naar Amerika vervoerden. Wie hier opstapte, vertrok naar een andere wereld. Tegelijk heb je op deze plek het mooiste zicht op de bocht in de Schelde. Ik ben een schattenjager en een ontdekkingsreiziger in eigen stad. Ik doe niets liever dan uitzoeken hoe de stad in elkaar zit; het systeem doorgronden. Er valt altijd wel iets nieuws in de stad te ontdekken, een oud boekhandeltje of een stil straatje. Als kind zei mijn vader tegen mij: ‘Ik ken elke straat in ’t Stad.’ Vandaag hoor ik mezelf ongeveer hetzelfde zeggen tegen mijn dochters van 11 en 14 jaar. Als je iets niet kent, moet je het leren kennen, dan opent het zich voor je. Dat geeft een ongelooflijk fijn gevoel.”

Behalve de voorstellingen De Groenstraat en Bang maakte Johan nog tientallen andere toneelstukken in samenwerking met Bart Van Nuffelen voor het MartHa!tentatief, over Antwerpen en het samenleven in diversiteit. “Bart en ik schrijven toneelstukken over de tijd en de wereld waarin we leven. Over vandaag en over alle mooie en minder mooie dingen die we elke dag zien en meemaken. We leerden elkaar kennen in het tweede jaar van het Xaveriuscollege, we zaten samen op het RITCS in Brussel en in 1996 begonnen we met het MartHa!tentatief. Onze vriendschap gaat lang terug.”

4. NOVA

Onverwoestbare band met zus

De eerste drie plekken deed Johan aan met de deelstep Bird. Nu stapt hij over op de Scooty, een scooter die je voor korte tijd kan huren en achterlaten waar je wilt. “Ik vind het de max hoe gemakkelijk je je tegenwoordig door de stad kunt bewegen.”

Johan heeft in bijna elke zaal in Antwerpen gespeeld, maar cultureel ontmoetingscentrum Nova is een van de meest bijzondere. “De architectuur van het gebouw is prachtig. Het is een open en lichte constructie waar heel de buurt elkaar tegenkomt; jong, oud, arm en rijk, oude witte Belgen en jonge nieuwkomers. Antwerpen heeft niet veel plekken waar zo veel mensen met zo veel verschillende achtergronden elkaar écht ontmoeten. Er staat ons nog een waanzinnige verandering te wachten. Vandaag heeft 60 tot 70% van de jongeren in Antwerpen een migratieachtergrond. Nog even en heel de stad is als de Nova. Ik spreek me niet uit over goed of fout. Het is de realiteit en je moet allemaal zorgen dat het werkt.”

“Makkelijk is dat niet. In de jaren tachtig vertrokken al mijn nonkels en tantes uit Borgerhout. Alleen mijn ouders bleven hier. Het is interessant om te zien dat diezelfde ontwikkeling zich nu voltrekt bij migranten van de tweede of derde generatie. Ook zij zoeken de rust en de natuur buiten de stad op. Vroeger dachten we dat culturele verschillen ons parten speelden. Maar het heeft veel meer met sociaal-economische klasse dan met cultuur te maken.”

Wat ook meespeelt, is dat Johans zus Lieve Petit coördinator is van de Nova. “Ik kom supergoed overeen met mijn zus. Als ik met haar op stap ben, heb ik nog altijd datzelfde gevoel van toen ik 12 was en zij 10 en we altijd aan het fikfakken waren. We hebben heel veel gevochten, maar steeds voor de lol, nooit om elkaar echt pijn te doen. Voor een relatie moet je altijd moeite doen of die gaat naar de knoppen. Bij mijn zus voelt het niet als moeite doen. Die is er altijd en zal er altijd zijn. We lijken erg op elkaar en begrijpen elkaar met een half woord.”

5. RIVIERENHOF

Bezinnen op bank in het groen

Het regent inmiddels pijpenstelen, maar we laten ons niet kennen en rijden naar de laatste plek in het Rivierenhof. Na wat zoeken, vindt Johan de zitbank die hij ons wil laten zien. Het is een rustige plek diep in het park, vlak bij een vennetje waarnaast een grote treurwilg staat.

“Deze plek is als een kerk in openlucht voor mij. Anderhalf jaar geleden ben ik gestruikeld. Ik was op en kon niet meer verder. Oververmoeid, te hard gewerkt, te veel gespeeld en gefeest, en te weinig gerust. Het had ook te maken met een zoektocht naar erkenning. Ik heb niet te klagen over erkenning, maar ik wilde meer. Ergens in die periode zat ik op deze bank. Ik was over mezelf aan het nadenken en ik weet nog dat ik dacht: ‘Het is oké. Het is goed zoals het is.’ Er zat als het ware een gat in mij dat moest worden gevuld. Maar door het verlangen naar meer, werd het gat alleen maar groter.”

“Mijn nieuwste voorstelling Lulletje gaat over deze periode. Ik achterhaal hoe het zover is gekomen en deel dat met het publiek. Achteraf ben ik blij dat het zo is gelopen. Wie stilstaat, ziet pas hoe mooi het leven is.”  

Op 20/11 speelt Johan Petit de voorstelling Lulletje in de Arenbergschouwburg (www.arenbergschouwburg.be). Meer speeldagen, info en tickets op www.marthatentatief.be.

 

Facebook icon
Twitter icon
terug naar boven